Kriskros lopend door de Biesbosch

Het hoeft niet altijd volledig trail te zijn. Als er maar voldoende natuur is te zien. Van nieuwe gronden en oude dorpen tussen Dordrecht en Gorinchem.

Met prik nummer twee in zicht, en net een zware loop langs het Maas-Niederrheinpad, was het tijd voor een wat makkelijker avontuurtje dichtbij. Ok, ik geef toe, er was enige dwang om niet geheel in de avonduren thuis te komen omdat ik per se nog een etappe van het Maas-Niederrheinpad wilde doen. Ik besloot dus om maximaal een uurtje te reizen tot het startpunt. En dat brengt me ongeveer tot Dordrecht, een voor mij vrij onbekend gebied.

Het was de bedoeling om ongeveer een marathon te lopen, om op die manier wat kilometers bijeen te sprokkelen voor de Great Virtual Race Across Tennessee. Dat achtte ik wel nodig, gezien de langdurige spierpijn na de eerste vaccinatie en de aankomende vakantieweken in Drenthe, waar het vast niet op prijs zou worden gesteld om hele dagen weg te blijven.

De mogelijkheden voor die afstand waren zowel groot als klein. Dordrecht en omgeving is eigenlijk verdeeld over eilandjes in de Merwede. Dat betekent in dit geval dat je afhankelijk bent van een aantal pontjes als je van punt naar punt wilt lopen. Of dat je de route verder moet uitbreiden tot een rondje door de Nieuwe Biesbosch. Omdat een deel van de pontjes op voorhand al te onzeker leek – jawel, daar is een website voor: veerponten.nl – besloot ik door de Biesbosch via Woudrichem en Fort Vuren naar Gorinchem te gaan.

Groene loper

Mijn route had ik uitgestippeld vanaf station Dordrecht, direct over een stuk langeafstandwandelpad richting pont nummer 1 bij ’t Landje van Kop. Om bij dat pad te komen, slingerde de route eerst door een aantal kleine straatjes en woonwijken; helaas – of gezien de drukte misschien beter – ging het niet door de oude binnenstad. Hier bewees de Garmin ook maar direct wat ik altijd al zeg: let op je kaart, niet op je aanwijzingen. De doorgaande weg was in werkelijkheid een kluwen van afslagen en met enkel een kruimelspoor en aanwijzingen, ga je daar gegarandeerd omlopen.

Eenmaal bij het juiste pad, bleek er een groene loper te zijn uitgelegd. Een pad van ongeveer een meter breed, netjes gemaaid door het hoge gras aan de kant van het Wantij, de waterweg die het Dordtse eiland in tweeën deelt. Dat liep eigenlijk best lekker. En het grappige was, lange tijd had ik ongeveer hetzelfde tempo als een bootje in het Wantij. Eigenlijk was ik iets sneller, maar de boot stopte niet om foto’s te maken of bloedsuikers te checken.

Op een gegeven moment stopte mijn mooi gemaaide pad echter. Ik kwam op een onduidelijk stuk, waar ik volgens de kaart (gepland langs de looproutes in Komoot) over een dijk had moeten lopen. Maar die dijk was inmiddels verboden terrein. Het alternatief met roodwitte bordjes, bleek volledig overgroeid. Dat werd dus een stuk teruglopen en over het asfalt lopen, waar elke minuut wel een peloton kamikazefietsers voorbij leek te rijden.

Noordwaard

Gelukkig had ik echter ook een mazzeltje. Precies op het moment dat ik aankwam bij ’t Land van Kopje, lag de veerpont klaar om me over de Nieuwe Merwede te zetten. Dit kanaal/dezengetijdenrivier deelt de Biesbosch op. Overigens de enige manier om dit kanaal te passeren als je geen eigen boot hebt, want bruggen zijn er niet. En met een breedte tussen de 325 en 695 m, is overzwemmen voor mij ook iets te ver gegrepen. Zeker op een van de drukste handelsroutes van Nederland…

De overtocht zelf duurde maar een minuut of 10. Dat was net genoeg om alle fietsers en mij – we legden inmiddels al bijna aan – een kaartje te verkopen. Ik bespaarde mezelf nog 20 cent door een enkeltje te boeken, tot verbazing van de schipper. Het is ten slotte het enige oversteekpunt in meer dan 20 km.

Het gedeelte Biesbosch waar ik ga lopen, heet de Noordwaard. Het is lange tijd agrarisch gebied geweest, maar vanwege de grote overstromingen in de jaren 90 aangewezen als overstroomgebied. Daardoor is het gebied weer ontpoldert en deels teruggegeven aan de natuur. Maar wel met voorspelbaar veel verharde paden. Het gebied is dan ook uitermate geschikt om te fietsen, maar iets minder om te wandelen. Daarvoor had ik misschien beter een ander deel kunnen kiezen.

Koeien

Het eerste ‘echte’ stukje natuur dat ik tegenkom is bij de Pannenkoek en het museumeiland. Op dit griend (wat staat voor het minder spannend klinkende akker met wilgen) vind je wilgenbomen, een nagemaakte hut van wilgentenen en een korte wandelrouter daardoorheen. Eigenlijk zat het niet in mijn route, maar ik struinde toch even langs de paadjes. De wilgen en linden die ik hier zag, waren een welkomen afwisseling op het weidse landschap van plassen en moerasgrond. Vervolgens is het weer even wegen volgen.

Gelukkig was er naast het harde asfalt ook zo nu en dan een stukje groene loper. En hier en daar volgde ik een kreek, die door de ontpoldering weer terug is gekomen. Dat maakt het lopen weer ietsje lichter en geeft je ook meer het gevoel dat je echt midden in de natuur staat, in plaats van dat je aan het forensen bent.

Langs de kreken groeien vooral veel blauwe bloemetjes. Een prachtig gezicht dat helaas niet helemaal goed overkomt op de foto. Hier was het overigens ook echt stil. Wandelaars vind je er nauwelijks, fietsers en auto’s kunnen er niet komen. Af en toe vaart er een bootje voorbij.

In deze rust begon ik me haast af te vragen of ik hier wel mocht lopen. Een duidelijk pad – op de kaart wel – was er niet, maar een verbodsbord voor broedseizoen had ik evenmin gezien. Wel waren er veel hooglanders. Midden op het dijkje dat volgens mij het pad wel moest zijn. Aan het einde van het stukje natuurgebied, moest ik bovendien door een waadplaats voor deze runderen. Een alternatief om de kreek over te steken was er niet. Geen probleem, al stonk het water erg naar koe.

Uitdagende jurkjes

Langzaamaan kwam ik bij het eerste dorp op de route: Werkendam. Van het lopen op het schaduwloze asfalt met een flink zonnetje had ik behoorlijk dorst gekregen, dus greep ik daar direct de mogelijkheid aan om wat te gaan drinken. Met dit weer zou ik anders nooit de hele weg redden met mijn watervoorraad.

Even later leek ik een fata morgana tegen te komen. Een meisje trok snel haar broek omhoog en deed een groen jurkje aan in een parkje waar ik langs liep. Haar vriendin maakte foto’s. Even later kwam ik ze weer tegen in het uitgestorven centrum (zondag) waar ze enorm giechelend op een uit het zicht plekje gingen staan met de fiets en camera in aanslag, friemelend aan het groene jurkje. Misschien ken ik teveel modellen vanwege het schilderen, maar ik had sterk de indruk dat de dames bezig waren met een fotoshoot.

Vanaf hier was de route eigenlijk heel eenvoudig. Volg de Boven Merwede tot in het historische plaatsje Woudrichem via de dijk. Dat betekende wel asfalt, asfalt, asfalt en misschien een stukje gemaaide berm waar je vanwege de harde pollen eigenlijk ook niet echt kon lopen (zonder rockplate althans).

Tijger

Het plan was om in Woudrichem (ongeveer 35 km vanaf Dordrecht) het pontje naar Slot Loevestein en vervolgens naar Fort Vuren te nemen en vanaf Vuren door te lopen naar Gorinchem. Loevestein is natuurlijk voornamelijk bekend vanwege de ontsnapping van Hugo de Groot (Grotius voor de Leidenaren), die er terechtkwam vanwege zijn rol in een van de eerste van vele protestantse scheuringen die onze republiek leken te verscheuren. Hij mocht in het slot wel zijn schrijven voortzetten, en in de boekenkisten die ze hem daar aanleverden voor zijn werk, zag hij een mogelijkheid om via Gorinchem te ontsnappen.

Het leek mij een mooie manier om nog wat geschiedenis mee te pakken. Het lot besliste helaas anders. De veerboot naar Vuren bleek toch niet zo regelmatig als die op ’t Land van Kopje. Weliswaar gaat de boot vaak van Woudrichem naar Gorinchem, maar vervolgens gaat hij afwisselend naar Loevestein (zelfde rivieroever als Woudrichem) en naar Vuren (overzijde waar Gorinchem ligt). Om in Vuren te komen, zou ik ongeveer 1,5 uur moeten wachten. Dat was iets teveel van het goede omdat het al ruim na vieren was. Zodoende besloot ik maar een rondje naar Loevestein te maken en van daar naar Gorinchem, vanwaar ik weer met de trein terug kon reizen. Vanaf Loevestein was het overigens vooral veel hilariteit: kinderen die instapten vonden mijn tijgermondkapje (van Blijdorp) echt geweldig.

Uiteindelijk bleef het aantal kilometers hierdoor steken op 37,8. De route zelf bestond denk ik voor tweederde uit asfalt en is vrij makkelijk om te lopen. Het was ook zeker een mooi tochtje, al kies ik een volgende keer toch eerder voor een route in een ander, minder verhard, deel van de Biesbosch.