87 km Virtuele Indian Summer

Self-supporting lopen over een parcours van 87 km. Dat is geen makkelijke opgaaf, maar de race laten schieten was psychisch gezien ook geen optie. Hoe heb ik dat overleefd? Een verslag per lopende kilometer.

Dat waar ik weken, zo niet maanden voor had gevreesd, werd afgelopen woensdag waarheid: de Indian Summer Ultra (ISU) viel ten prooi aan corona. Na de inschrijving in februari had ik er hard voor getraind met de nodige 50 en 60 km trainingen, verpakt in langeafstandwandelroutes. Onderweg verloor ik loopmaatje Ramona al aan een hernia en zelf zag ik best op tegen de afstand, maar ik hield hoop. Maandenlang was het voor mij een baken om de corona- en werkproblematiek (een extreem vermoeiend project) van me af te kunnen zetten. En als de ISU een week eerder was geweest, had hij ook gewoon door kunnen gaan. Maar dat was tevergeefs.

Ondertussen had ik nog wel een stacaravan op de startlocatie gehuurd. Ik heb getwijfeld: ga ik nog of niet? Uiteindelijk een ja. Doe ik dan een deel van de route om binnen daglicht te blijven? Dat voelde helemaal niet goed. Ik had mezelf ergens iets te bewijzen, voelde dat ik een overwinning nodig had. Dat mijn oerkracht er even uit moest komen om in mezelf te blijven geloven. Dat Winfried (Bats; race director) donderdag met een aangepaste virtuele route kwam, gaf de doorslag om toch de hele route te doen.

6.15 uur – 0 km

Met alleen de wil kom je er niet. Deze trip had extra planning nodig. Er zouden immers geen verzorgingsposten zijn, alle horeca is gesloten en supermarkten zijn diep in Drenthe niet zo veelvoorkomend. Vooral de drankvoorziening was een punt. Normaal raak ik bij een 60 km wel door de 3-3,5 liter water en sportdrank heen. In dit geval heb ik het hele drinksysteem van mijn Salomon racevest meegenomen: zes softflasks en een 1,5 l waterzak. En gekeken wat ik kon schrappen van de uitrusting: geen warme kleding voor het geval ik zou stranden, en vooral alles goed insnoeren. De volgorde: drinken, eten, accu en dan medische noodzakelijkheid. Geen ruimte voor de bloedprikset in dit geval.

Met een zwaar beladen racevest en een Petzl Iko Core stond ik om 6.15 voor de stacaravan, klaar om te starten. Net iets later dan de normale start zou zijn geweest, maar ik verwachte dat ik ook niet de enige zou zijn die vandaag virtueel de ISU zou lopen. En dat klopte. Al binnen 500 m werd mij geluk gewenst vanaf een bankje. Het leek zelfs of ze mijn naam noemden, maar mijn nachtzicht was te slecht om dat te kunnen verifiëren (mocht je je in de beschrijving herkennen, dan excuses als je mij wel herkende).

Tijdens die eerste kilometers zag ik de nodige andere lopers, meestal in groepjes van twee of drie. Eerst doemden ze achter me op als kleine lichtjes die langzaam naderbij kwamen, vervolgens zag ik ze heel even voor me waarna ze een bocht omsloegen. En in een aantal gevallen terugkwamen omdat ze van de route afweken.

Ik ben blij dat ik de afgelopen maanden zoveel op gpx heb getraind, waardoor ik de meeste nukkigheden van het systeem wel kende. Daardoor had ik verkeerd lopen snel in de gaten en liep ik niet automatisch op aanwijzingen van Garmin (die wijken te vaak af). Het was ook best zwaar om in het donker paden te vinden die niet altijd goed herkenbaar waren.

Zoeken in de bescheiden lichtbundel naar een gelijkmatiger rij bomen of een ietwat uitgesleten pad, leverde vaak wel het juiste resultaat. Maar op een gegeven moment stond ik – en met mij nog een groepje lopers – echt bij een onvindbaar routestuk. Lag het pad onder de bladeren? Gelukkig wisten de andere lopers dat ze vorig jaar een stukje verder de doorgang namen die wel op mijn kaart was te zien. Het kan dat we het bij daglicht zo zouden terugvinden, maar ik zou ook niet verbaasd zijn als de gpx-route een klein foutje of verschuivinkje had.

Zonsopgang aan het Gasselterveld – circa 12 km

Stiekem vind ik het niet erg om ’s ochtends in het donker te lopen. De rust, de stilte; ook in je hoofd. Jammer genoeg lukt dat in de avond niet met diezelfde donkerte. Niet alleen omdat je hoofd dan al volop maalt, maar ook omdat je het ontwaken van de natuur dan mist.

Het licht van mijn hoofdlamp stak steeds minder helder af tegen de omgeving, als teken dat de schemering was begonnen. De eerste geluiden van ontwakende vogels en opstijgende ganzenzwermen. De goudgele onderrand aan de wolken die weerspiegelde in het oppervlak van ’t Gasserterveld. Geen wonder dat een klein groepje lopers hier even was neergestreken om vanaf een heuvel de opgaande zon te bekijken.

Toch voelde het voor mij ook een beetje als een waarschuwing. Ik was nu al een tijdje onderweg en had slechts een kilometer of 12 afgelegd. Vandaag zou een lange dag worden.

Teennagels – circa 20 km

Slechte gedachten over lange dagen komen nooit alleen. Rond een kilometer of 20 voelde ik plots mijn rechter grote teen. Alsof er een steentje op drukte. Dat is niet goed als je nog bijna 70 km moet lopen en kan voor behoorlijke blaren zorgen. Na uittrekken van de schoenen bleken mijn sokken – dikke Injinji trailsokken – het probleem. Mijn stevige nagels hadden zich ondanks netjes bijknippen deels door de stof geboord. Daardoor zat steeds een randje onder mijn teennagel, wat het vervelende gevoel veroorzaakte. Mee leren leven of wegknippen? Ik koos voor het laatste en gelukkig heb ik zelfs geen miniem blaartje aan deze 90 km overgehouden.

Een ander probleem kwam echter ook al snel opzetten. Het lukte me herhaaldelijk niet om de bloedsuikers te meten. Te koud, was de sensorwaarschuwing. En daar had ik geen rekening mee gehouden, want thuis deed hij het de afgelopen dagen nog prima en het was toch rond de 12 ºC terwijl de sensor het officieel tot 5 ºC hoort te doen. Dat werd dus nog meer vertrouwen op mijn lichaam, want de prikspullen had ik uit ruimtebesparing thuis gelaten. Het betekende echter ook dat ik af en toe waarschijnlijk iets te lage bloedsuikers had om te lopen en dat ik niet te snel mocht gaan om het lichaam te kunnen blijven voelen.

Even later was de bloedsuiker toch echt te laag (eerste Ucan uitgewerkt en te weinig gedronken, vermoed ik achteraf) gezien de val in snelheid. Het fijne aan traillopers is dat er vrijwel direct iemand voorbij kwam die wel wilde helpen. Was niet nodig gelukkig, maar de kilometers erna hebben we de nodige keren stuivertje gewisseld op de trail en stukjes samen gelopen. Dat maakt een lange weg toch een stukje makkelijker. Ook al liepen we dan allemaal alleen, de ISU verbroederde wel een beetje, wat ik ook bij andere passerende lopers terug herkende.

Eikenblaadjes – circa 40 km

Na het voedingsprobleem opgelost te hebben, liep ik weer een heel stuk lekker door. Stiekem deed dit Drentse landschap me ook best wel aan de routes van het Hertogenpad denken. Vooral de stukken door moerassen, veen en heide kwamen qua landschap overeen.

Wat was het mooi om hier te lopen. Vooral de ochtendmist die opkwam tussen het goudgele gras met hier en daar een koe gaf een bijzonder gevoel. En dat in alle rust en stilte. Dan zie je toch dat je bevoorrecht bent dat je op deze manier van de natuur kunt genieten. Hoewel er niet veel gekleurde bomen waren – het is met name naaldbos – gaven de gele halmen inderdaad het gevoel in een Indian Summer beland te zijn.

Het einde van de eerste marathonafstand kwam inmiddels naderbij. Maar ik liep niet helemaal meer lekker. De boosdoeners waren mijn darmen. Wie mijn blog regelmatig leest, weet dat ik de dag van een grote loop steevast met koffie begin, zo ook vandaag. Maar op een of andere manier lukte het poepen vanochtend niet. Dat heb ik na 40 km geweten. Na 2 km met gene te hebben gelopen, moest ik er toch aan toegeven voor het pad weer richting grasland wees. De laatste dichte bosjes en een stapeltje eikenbladeren als wc-papier brachten verlichting om weer vrolijk door te kunnen lopen richting tweede marathon. Ik voelde me direct een stuk lichter.

Wandelen en sensoren – circa 46 km

Inmiddels begon het zonnetje erbij te komen op het veld. Niet dat ik fysiek last van de kou had – op de wandelstukjes na dan – maar het voelt zoveel fijner om in een zonnetje te lopen. En hopelijk zou de sensor nu eindelijk gaan werken.

Dat laatste bleek nog even niet het geval. Tot ik me plots zo vermoeid voelde dat ik uiteindelijk maar besloot een kilometer te gaan wandelen – opgeven was geen optie en eerder haalde ik met relatief gemak toch ook 60 km, 20 meer dan waar ik nu was? Door het wandelen trok waarschijnlijk weer wat meer bloed naar mijn armen. Want wat bleek: de sensor deed het nu na 10 minuten wandelen ineens wel (ter info: even kort opwarmen helpt niet, hij moet minimaal 10 minuten meten voor een waarde). En het resultaat was dat ik ergens rond de 4 mmol/l zat wat mijn totale instorting dus wel verklaarde. Nog even doorwandelen en bijvreten en het ging weer prima. Muziekje op en door.

Aan de kabel – circa 60 km

Lange tijd kon ik weer rustig doorshuffelen, weliswaar met steeds iets langere pauzes. Ik ging langs de radiotelescopen van Dwingeloo, waar je je telefoon officeel uit hoort te zetten. Maar hoe zit dat dan met de trackers die we bij de wedstrijd gehad zouden hebben, maalde mijn brein. Gelukkig hadden de astronomen dit nog niet als gevaar gezien, want de natuur rond de telescopen – waarvan ik slechts een in de verte zag – is erg mooi.

Ondertussen was ik ook al een kilometer of 60-65 onderweg. Uit voorzorg besloot ik mijn Garmin Fenix 5x maar van wat extra stroom te voorzien. Hij had dan nog wel 19 procent batterij, maar dat zou op deze snelheid echt niet voldoende zijn om op de kaart uit te lopen. Het platte kabeltje bracht gelukkig uitkomst, een paar kilometer later stond ik alweer op de 64 procent zonder te hoeven stoppen.

Prikkeldraad – circa 75 km

Dat je die kaarten goed zo goed mogelijk moet gebruiken, bleek ook hier maar weer. Mijn meest gehate terrein is grasland, vooral langs stroompjes. Het is oneffen, de graspollen doen pijn in mijn dunne Superiors, je verspilt veel energie door de verende bodem en je weet nooit precies of je aan de juiste kant van een sloot of kanaal zit.

In dit specifieke geval stond het kanaal wel degelijk op de kaart en braaf liep ik aan de aangegeven kant. Tot er plotseling een afrastering kwam en de lijn het kanaal overstak. Dat kan niet de bedoeling zijn, dacht ik nog, want het is zeker wel een tot twee meter diep. Maar het hek was ook erg hoog en stond onder stroom. De lijn eraf halen was zelfs onmogelijk gemaakt doordat iemand het handstuk stevig met ijzerdraad had verankerd. Was er mischien sprake van een meetfout (10 m afwijking van gps kan dus makkelijk verkeerde weergave in de kaart zijn geweest)? Fout een van mij – naast het spoor niet vooruitkijken – was dat ik over het hek klom terwijl mijn benen al behoorlijk stijf waren. Het hek was veel hoger dan gemiddeld en het leverde me een stroomstoot en een bloedende kras op.

Het weiland dat volgde stond vol met halve beekjes vieze, stinkende, roodbruine modder. Wat mijn voeten goed natmaakte. Om vervolgens een nog veel hardere stroomstoot te krijgen bij het hek aan de andere kant. Dit hek had de bovenste draad boven kruishoogte. Er was aan de onderkant wel een draad zonder stroom, waar ik – na het racevest af te doen – onderdoor kon kruipen om de weg door de brandnetels te vervolgen. Hier bleek ook duidelijk dat de andere kant echt de juiste was. Maar door het kanaal zwemmen in dit koude weer terwijl ik al langzaam ging, zou een grote kans op onderkoeling brengen.

Boswachter – circa 85 km

Het Balloërveld zag er best mooi uit. Maar om eerlijk te zijn, hoefden die laatste 10 kilometers voor mij niet echt meer. De snelheid was eruit. De sensor deed het wederom niet meer; een zakje Goudbeertjes bracht ook maar heel even soelaas tegen de snelheidsdrempel. En het werd pikkedonker. Zoals het alleen op het platteland kan worden: zwart met heel kleine sterren. Dus niet dat bruinig licht van de Randstad met haar noodverlichte kantoren, wegen met lantarens en glastuinbouw.

Tijdens een echte wedstrijd was het makkelijk geweest: na het donker kun je prima lopen. Het parcours is in overleg gekozen om overlast voor de dieren te voorkomen en er is een vergunning om daar te lopen. In dit geval was er echter geen wedstrijd, wat betekent dat je je eigenlijk aan de openingstijden van de natuurparken moet houden. Bij Staatsbosbeheer is dat veelal tussen zonsopkomst en zonsondergang. Maar door mijn traagheid ging dat niet meer lukken. En met zo’n lichtje op ben je in een natuurgebied wel heel erg zichtbaar…

Met nog geen 7 km tot de finish, dacht ik dat ik nu toch echt aangehouden ging worden. Achter mij zag ik grote lampen, het leken er vier te zijn, zoeklichten van een jeep die heel langzaam het brede zandpad achter me opreed. De schrik sloeg me om het hart en ik was al aan het verzinnen wat ik moest zeggen tegen de boswachter. En of hij me zou toestaan om door te lopen. Ik versnelde. Hij kwam steeds verder achter, tot ik na een paar scherpe paadjes niks meer achter me zag en weer even tot rust kwam. Ik had niet gedacht dat ik er nog 2 km op snelheid uit kon persen, maar was blij weer even iets langzamer te kunnen door stukjes wandelen en lopen af te wisselen.

Tot op een gegeven moment de lampen er weer waren. Nu een stuk dichterbij, misschien 300 m verwijderd. Waarom zo langzaam? Hij kon me toch zo inhalen? Zou hij boos zijn dat ik over de kleine paden liep die de route aangaf, wat op vluchtgedrag leek? Zou de avondvergunning voor de wedstrijd nog gewoon gelden als de boswachter erom vroeg?

Ik ging door een klaphek naast een veerooster. Hier zou de jeep niet snel langs kunnen komen, dan moest het hek eerst van het slot. Maar even later hoorde ik het deurtje voor een tweede keer dichtvallen. Op deze snelheid haalt hij me makkelijk in, dacht ik nog. Bij het volgende klaphek passeerde een andere loper met felle hoofdlamp me. Ook op de 87 km en samen liepen we een stukje op. Waar was die jeep nou? Of bestond de jeep helemaal niet? Uiteindelijk had de andere loper nog wat meer reserves over dan ik en ging voor met nog 1,5 km te gaan.

Eten en daarna

Toen ik eenmaal bijna bij de finish was, zag ik de loper nog met familie teruglopen naar de auto. Wat was ik blij dat de camping in zicht was. Snel naar binnen, de kachel aan en mijn bloedsuiker checken. Die wederom te laag was. Zou ik het met een betere bloedsuikermanagement veel sneller hebben gedaan vandaag?

Die vraag is denk ik wel terecht. Ik deed uiteindelijk 14 uur en 34 minuten over 90,63 km. Nu ben ik nooit heel snel, maar ik denk dat dit zeker nog wel makkelijk te verbeteren is. Vooraf had ik geschat 13 uur bezig te zijn aan de hand van eerdere lange duurlopen. Dat klinkt nog steeds als een redelijke tijd als alles qua bloedsuiker wat beter in de gaten kan worden gehouden.

Op de bank aangekomen rond negen uur heb ik ook geen zin meer om mijn pannenkoeken nog op te warmen. Ik eet wat – onder meer chips – voor handen is, neem een hele lange douche om op te warmen en ga slapen. Wel maak ik voor de liefhebber nog een foto van het voedsel tijdens de loop:

  • drie zakjes Generation Ucan waarvan een direct voor de loop
  • twee keer 500 ml Isostar
  • twee zakjes goudbeertjes
  • drie Snickers
  • vijf gelletjes

Mijn ontbijt de volgende ochtend bestond uit de spekpannekoeken waarvoor ik na de loop geen moed meer had. Met de stijfheid viel het eigenlijk wel mee. Mijn vader kwam me ophalen en opstaan na de autorit richting Vledderveen was even pijnlijk. Maar een stukje wandelen met de hond en het voelde allemaal weer soepel. Ik kan gerust zeggen dat ik een stuk sterker voel dan na mijn eerste marathon. Maar of ik het nog een keer doe of dat ik me bij 50-60 kilometers hou, daar durf ik me nu niet over uit te spreken.

5 antwoorden op “87 km Virtuele Indian Summer”

  1. Wow Rutger, van harte gefeliciteerd!!! Heel knap om dit volledig zelf voordienend te lopen. Je verslag leest als een thriller, vooral omdat ik het zelf niet aan durfde om de virtual race zelf te gaan doen.

    1. Ik moest er zelf ook echt even bij nadenken. Dat mijn ouders relatief dichtbij waren, hielp wel (nou ja vanaf het halverwegepunt), maar ik voelde ook echt een dwang/noodzaak om het te lopen.

  2. Leuk om te lezen. Ik heb van plan om nog te lopen, maar vraag me af of je genoeg drinken bij je had of onderweg nog wat kon bij tanken.

    1. Ik had uiteindelijk drinken over. Maar dat lag wel aan het weer en relatief lage bloedsuikers. Vooral dat laatste kan erg dorstig maken. Bijtappen onderweg is er niet bij zolang de horeca gesloten is. Een zelfs dan nog beperkt. Het beste kun je dan een stukje om langs een dorp plannen. Hou er echt rekening mee dat Drenthe relatief dun bevolkt is.

Reacties zijn gesloten.